Fysieke veranderingen

Over de evolutie van het paard is veel bekend, omdat er veel fossielen bewaard zijn gebleven. Er worden veel soorten onderscheiden, die niet alleen na elkaar, maar ook vaak naast elkaar leefden. De evolutie van het paard kent dan ook vele vertakkingen. De ontwikkelingen gaan lang niet altijd gelijkmatig: terwijl er paardachtigen naar de vlaktes verplaatsen, blijven er ook nog heel lang bospaardjes bestaan. De algemene trend dat paardachtigen steeds groter werden, wordt regelmatig onderbroken door een kleiner geslacht. De ontwikkeling die hier beschreven wordt, is de lijn die naar het moderne paard loopt.

Het eerste dier dat wordt gerekend tot de paardachtigen is de Eohippus of Hyracotherium, een geslacht dat ongeveer 55 miljoen jaar geleden ontstond. Dit dier evolueerde via de Orohippus (45 mln. jaar), de Mesohippus (35 mln. jaar), de Miohippus (28 mln. jaar), de Merychippus (20 mln. jaar), Hipparion (15 mln. jaar), de Pliohippus (12 mln. jaar) en de Dinohippus (12 mln. jaar) in het geslacht Equus (3,5 mln. jaar), het moderne paard. In die 50 miljoen jaar van evolutie is de lichaamsbouw van het paard behoorlijk veranderd. Dit is het gevolg van de verandering van de leefomgeving van het dier: de Eohippus en de Orohippus leefden in het bos, en toen de bossen in grote grasvlakten veranderden, moest ook het paard zich op meerdere punten in het lichaam aanpassen. 

Lichaamsbouw

De eerste paardachtigen leefden in het bos. Ze waren klein, wendbaar en erg flexibel. Hard kunnen lopen was nog geen vereiste om te overleven, aangezien ze zich goed konden verstoppen in het bos. Het waren goede springers.

Maar toen de bossen vlaktes werden, moest het paard kunnen vluchten voor zijn natuurlijke vijanden. Het dier werd langzaam groter en gespierder. De benen en de nek werden langer. Dit zorgde ervoor dat het paard langer en harder kon lopen. De gewervelde staart verandert in een staart die slechts uit haar bestaat.

Tenen

De eerste paardachtigen waren aangepast aan het lopen op een zachte bodem. Ze hadden kussentjes onder hun voeten en vier tenen aan elke voet. Vanaf de Mesohippus veranderen de kussentjes in hoeven (vergelijkbaar met nagels bij de mens) en neemt het aantal tenen steeds verder af. Latere paardachtigen gaan steeds rechter en meer op hun middelste tenen lopen. De tweede en vierde teen raken rudimentair (onontwikkeld); er wordt namelijk steeds minder op gelopen. Vanaf de Pliohippus en Dinohippus is het paard eentenig. Restanten van de buitenste tenen zijn te zien als griffelbeentjes aan de zijkant van de overgebleven teen. Zo komt het moderne paard ook op één te lopen. 

Gebit

De verandering van leefomgeving bracht een verandering in eetpatroon met zich mee: waar de bospaardjes bessen en bladeren aten, gingen de paardachtigen op de grasvlaktes steeds meer grassen eten. Dit is te zien in de gebitten.

De Eohippus had het gebit van een omnivoor, met laaggekroonde knobbelkiezen en hoektanden. Dit gebit was uitermate geschikt voor het eten van bessen, knoppen en bladeren. Maar toen paardachtigen grassen gingen eten, kregen ze hooggekroonde maalkiezen om het vezeligere voedsel te kunnen vermalen. De snijtanden worden groten en komen rechter op elkaar te staan. De hoektanden worden steeds kleiner en verdwijnen. Het gebit van het moderne paard telt een stuk minder tanden en kiezen dan dat van de eerste paardachtigen. 

This free website was made using Yola.

No HTML skills required. Build your website in minutes.

Go to www.yola.com and sign up today!

Make a free website with Yola